Een Hilversumpot

Wat: een pot van ‘Hilversum’-aardewerk

Waar: Bennekom, gemeente Ede (provincie Gelderland)

Wanneer: bronstijd

Een Hilversumpot

Ondersteboven begraven

Als archeologen het hebben over aardewerkvondsten, gaat het meestal om scherven. Hoe groter en ouder de pot, hoe zeldzamer hele exemplaren zijn. Logisch dat de complete én ondersteboven begraven ‘Hilversumpot’ waar we hier op inzoomen, om te smullen is voor de vinders.

Deze vrijwel complete pot lag op zijn kop begraven lag in een kuil. Hij is in 2024 in een proefsleuf in Bennekom gevonden tijdens onderzoek vanwege een natuurontwikkelingsproject van de provincie Gelderland. De pot ging inclusief inhoud naar restauratieatelier Restaura voor röntgenopnames, om te zien of zien of er in het zand in de pot nog voorwerpen zaten. Dit bleek niet het geval. Ook het zeven van de grond uit de pot gaf niks prijs over de oorspronkelijke inhoud. Wel is besloten om deze bijzondere pot voor expositiedoeleinden te laten restaureren. Hierbij is de bodem, die in het verleden door ploegen is beschadigd en verdwenen, aangevuld naar voorbeeld van soortgelijke potten die uit Nederland bekend zijn. 

Versiering

Voordat de pot is gebakken is de klei met verschillende motieven versierd. Boven op de rand zijn nagelindrukken aangebracht en de binnenzijde van de rand is versierd met een golflijn, bestaande uit de afdruk van een touw. De hals van de pot is versierd met geclusterde nagelindrukken in diverse patronen. Op de schouder liggen twee horizontale lijsten (stafbanden) met diepe, brede nagelindrukken en een touwlijnindruk. Al deze versieringen maken het een uniek kunstwerk. De regelmaat, netheid en fijnheid van de nagelindrukken verschilt en wijst erop dat de pot door meerdere personen is versierd. De één had het decoreren beter in de vingers dan de ander, die met grovere vingers minder systematisch werkte.

 

Functie

De pot is op z’n breedst 32 cm en circa 38 cm hoog. Hij weegt zo’n 8,5 kilo en het volume bedraagt ruim 14 liter. Gevuld met vloeistof of vaste stof zal hij ruim 20 kilo hebben gewogen. Gelet op het grote formaat ligt een functie als voorraadpot voor de hand. De bovenzijde kan door de naar buiten staande rand eenvoudig met een doek of vel zijn afgedekt en vastgesnoerd. Het verkoolde aankoeksel bovenop de rand en de binnenkant van de hals wijst erop dat de pot, toen hij eenmaal leeg was, even op de kop in het vuur heeft gestaan, vermoedelijk om de binnenkant te ontsmetten, voordat er een nieuwe inhoud in ging.

 

Datering

De versieringen op de pot zijn typisch voor de ‘Hilversumstijl’ die voorkomt in Zuid- en Midden-Nederland in de vroege midden-bronstijd. De meeste potten in Hilversumstijl hebben een tweeledige vorm: een naar buiten gerichte buik en een naar binnen gebogen schouder. Drieledige Hilversum-potten met een naar buiten gerichte hals, zoals ons Bennekoms exemplaar, komen weinig voor. De 14C-datering van het aankoeksel op de rand komt uit op een ouderdom tussen 1769 en 1615 voor Chr. De markante hals, typisch voor vroeg Hilversum-aardewerk, dateert de pot rond 1750 voor Chr.

Waarom is deze pot op de kop in een kuil begraven?

Vanaf het begin van de midden-bronstijd (vanaf 1800 voor Chr.) ontstond de gewoonte om grote potten aan het huishoudelijk gebruik te onttrekken en te benutten als urn voor (gecremeerde) botresten van overledenen. Tot op heden zijn uit de midden-bronstijd uit Nederland echter uitsluitend urnen bekend die met de monding naar boven in de grafkuil zijn opgesteld.
Voor de omgekeerde plaatsing bestaan parallellen in het buitenland. In Groot-Brittannië staat in de periode van ‘Collared Urns’ (1800-1500 voor Chr.) ruim de helft van de urnen op zijn kop. Blijkbaar zag men dit als de juiste positie van de urn. Er is zelfs geopperd dat bronstijdsamenlevingen in het Verenigd Koninkrijk geloofden dat hun voorouders in een onderwereld onder het aardoppervlak verbleven en dat zij urnen op de kop over de crematieresten plaatsten om de weg naar het hiernamaals te vergemakkelijken.
Een markant Duits voorbeeld van een pot waarin onverbrande menselijke overblijfselen zijn begraven, komt uit Metzendorf: daar is een hoofd op een schaal gelegd, die wordt afgedekt door een op de kop staande pot.
Afgaande op deze en andere voorbeelden is het goed mogelijk dat omgekeerd begraven potten ook in ons land dienden om menselijke resten onder te begraven. Hopelijk vinden we in de toekomst nog eens zo’n pot, maar dan met betere conserveringsomstandigheden voor organisch materiaal, dat ons met zekerheid kan vertellen wat er in en onder deze potten is begraven.